#nofilter

 

Voordat ik het weet scroll ik langs allerlei lelijke krantenkoppen die berichten over dode kinderen en de zoveelste bloedige aanslag op een markt in Mogadishu, Bagdad of Berlijn. Weer betrap ik mezelf, te laat, op de automatische beweging die mijn hand maakt naar mijn telefoon.

 

Het is een nare gewoonte geworden, nieuwssites checken.

Ik voed me ermee uit verveling, maar het zijn lege calorieën. Het vreet míj op en laat me vaker wel dan niet achter met een knagende woede, rauw verdriet en honger naar verandering. Ik ben een druipend energielek op het moment dat ik me besef: ik doe het weer en elke keer.

 

Moedeloos en machteloos, een knagende onvrede over mezelf in de wereld om me heen resteert na het lezen van dit soort nieuws. Ik kan er niet mee omgaan, sta met mijn hart bungelend uit mijn lijf. Ik lijk er zo weinig vat op te hebben en mijn betrokkenheid is vele malen groter dan mijn invloed. Ik kan er niks aan doen. Althans dat houd ik mezelf voor.

 

Ontelbaar vaak heb ik dit soort verlammende gedachten en gevoelens. ‘Ik kan er niks aan doen’ is daarmee de grootste illusie waarin ik mezelf wil laten geloven maar bevrijdend is het allerminst. Enkel een makkelijk excuus om me achter te verschuilen.

 

 

Maar de uitdaging is om er een vraagteken achter te durven zetten; mezelf af te vragen of het wel klopt wat ik denk. En als ik dat doe moet ik bijna altijd concluderen dat er niemand anders is dan ikzelf om verandering te brengen in hetgeen me niet bevalt. Pas dan verandert mijn automatisme in bewustzijn, ik kan niets doen in ik kan íets doen, al begin ik maar heel klein door alvast wat minder achteloos in mijn telefoongebruik te zijn.

Geen brug te ver

Ik sla een nieuw pad in en vervolg mijn weg. Het is donker, ik zie geen hand voor ogen. Als ik mijn zaklamp gebruik word ik vast opgemerkt door alles waarvoor ik verborgen wil blijven. Ik durf niet.

 

De angst domineert me. Het voedt mijn toch al overheersende onzekerheid. Stoppen staat gelijk aan stilstaan en stilstand betekent zoveel als niets. Ik word gedreven door mijn wilskracht om door te gaan. Vóóruit.

 

Ik loop zo snel als mijn voeten en het pad, dat dooraderd is van boomwortels, toelaten. Af en toe struikel ik, grijp wild om me heen zoekend naar houvast en vind soms net op tijd een tak.

 

Ik heb geen idee van tijd en iedere keer als ik vaart wil maken, stap ik in een kuil of blijf ik haken aan een struik. Soms val ik. Hier en daar een kras op mijn gezicht.

Mijn knieën bont en blauw maar mijn botten daaronder spijkerhard en voeten die me blijven dragen.

 

Ik merk dat mijn passen standvastiger worden en mijn angst neemt langzaam af. In plaats daarvan komt er ruimte voor vertrouwen. Wennen mijn ogen aan het donker of wordt het al licht?

 

Voor me gaat het pad over in een loopbrug. Het is een brug te ver. Wat heet brug. Het is een krakkemikkig ding, bomvol gaten.

 

Het is nu of nooit. Een diep weten binnen in mij fluistert onmiskenbaar: doe het! En daar ga ik. Ik kijk niet meer om naar het donkere bos dat ik achter me heb gelaten met alle angst en onzekerheid er midden in.

 

Ik hink, stap, spring me een weg naar het einde. Voorbij de brug groeien de bomen tot in de hemel, de sky mijn limit.

Hilke

Mezelf zijn, want wie anders?

 

“Wat zou je het liefst willen?”, vraagt ze me.

 

“Ik wil mezelf zijn”, antwoord ik, “gewoon mezelf durven zijn”.

 

We zeggen het zo vaak, ‘gewoon’, voor allemaal dingen die helemaal niet zo gewoon zijn. Anders deden we ze wel ‘gewoon’.

 

Maar dat dus; gewoon mezelf zijn. Leven met hoofd, hart en buik in verbinding. Niet enkel dat hoofd met die gedachten die komen en gaan, die me van alles vertellen, overal wat van vinden en dat weer in twijfel trekken. Alles weer van voren af aan. Voldoen aan de verwachtingen van anderen, verwachtingen die ik voor het gemak dan ook maar zelf verzin. Torenhoge verwachtingen, waardoor de onzekerheid inslaat als een bom.

 

Het hoofd met daarin een maalstroom van gedachten, met de verwoestende uitwerking van een orkaan: “Ik kan het niet, ze vinden me vast dom, kan ik dit wel zeggen, waar gaat het hier over, ik snap het niet, het ligt vast aan mij, ik ben niet goed voorbereid, ik had het moeten weten.”

 

Paniek zwelt aan, zenuwen in mijn buik, een knoop in mijn maag, mijn hart op hol en mijn adem stokt in mijn keel. En al deze onaangename sensaties tezamen maken me monddood en het verlamt mijn brein. Mijn ogen als die van een konijn starend in groot licht, vlak voor de klap. 

 

Mezelf zijn. Handelen vanuit mijzelf en vanuit vertrouwen. Zelfvertrouwen. “Wat zou je het liefst willen doen Hilke?”, vraagt ze me daarna. “Durf groot te dromen!”

 

“Schrijven!”, antwoord ik resoluut, alsof het antwoord lang had gewacht op deze vraag. “Dan ga je schrijven! Begin gewoon, nu, deze week.” Een week later zie ik haar weer.

 

“En?”, vraagt ze.

“Het is me nog niet gelukt. Ik was te druk, mijn dochter moest aandacht, geen tijd, geen ruimte, niet in de bubbel, geen schrijversflow.” Je kent het wel. Het was allemaal waar en het waren allemaal smoesjes. Ik hoor het mezelf zeggen en zij hoort het ook.

 

“Weet je wat”, zegt ze dan, “schrijf voor mij, ik geef je een podium!” En daar is ‘ie weer, die gekke enge nerveuze kriebel in mijn buik. Die opnieuw omhoog wil kruipen, mijn hartslag verhoogt, mijn adem beneemt en zó bezit van me dreigt te nemen dat hele mechanisme weer in werking treedt. Maar ik voel ook; dit is een ‘offer I can’t refuse’. Dus zeg ik ja, aarzelender dan ik zou willen maar evengoed vanuit mijn hart. Ik zeg ja tegen haar maar eigenlijk tegen mezelf.

 

Toeval bestaat niet en mijn ontmoeting met Prema onderschrijft dit nog eens.

 

Positioneringsadvies.

En Of! Hier ben ik. Ik ben hier.

 

Hilke


0 commentaren